rechtspraak

 

Publicatie op rechtspraak.nl
02-04-2026

Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:338
Geschil over werkingssfeer tussen o.a. het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw) en een werkgever. 

Publicatie op rechtspraak.nl
02-04-2026

Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:341
Geschil rond scheiding.
Verdeling van een pensioenbeleggingsrekening.

Publicatie op rechtspraak.nl
01-04-2026

Rechtbank Den Haag, 19 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6103
Geschil rond scheiding.
De rechtbank neemt het verzoek van de man ter zake van de (verdeling van de) pensioenen niet in behandeling. De man heeft het geheel nieuwe verzoek op 5 december 2025 ingediend. Hoewel dat binnen de tiendagentermijn is, is de rechtbank van oordeel dat het zo kort voor de zitting indienen van een dergelijk verzoek van complexe aard, zonder nadere toelichting, in strijd is met de goede procesorde. 

Publicatie op rechtspraak.nl
01-04-2026

Rechtbank Gelderland, 11 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2118
Geschil rond scheiding.
De rechtbank oordeelt dat zij niet kan beslissen over de vordering betreffende de verdeling van pensioenrechten en dat zij daarom de vordering afwijst. In de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over pensioenrechten, een voor beide partijen bindend advies zal worden gegeven door een door de kantonrechter te benoemen deskundige en notaris. Dat is de procedure die partijen moeten volgen. 

Publicatie op rechtspraak.nl
27-03-2026

Rechtbank Den Haag 11 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5732
Heeft de Staat onrechtmatig jegens eiser gehandeld wegens onrechtmatige rechtspraak van de Hoge Raad? Het gaat om het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1732. In dat arrest liet de Hoge Raad de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand (art. 81 RO) dat franchisenemers van franchisegever Domino’s Pizza onder de verplichtstelling voor de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (Bpf Detailhandel) vallen.
Eiser, een van de franchisenemers van Domino’s Pizza, stelt in deze procedure dat het arrest van de Hoge Raad onrechtmatig is en leidt tot staatsaansprakelijkheid in de zin van het Köbler-arrest (HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513). Eister stelt in de kern, dat de Hoge Raad ten onrechte geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU heeft gesteld over de verenigbaarheid van het voor Bpf Detailhandel toepasselijke verplichtstellingsbesluit met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat van onrechtmatige rechtspraak wegens schending van het Köbler-arrest geen sprake is en overweegt in dat kader onder meer dat 1) het Unierecht niet van toepassing was, 2) de Hoge Raad niet gehouden was ambtshalve aan het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel te toetsen en 3) de Hoge Raad niet verplicht was om zo nodig prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU, laat staan dat hij 4) gehouden was te motiveren waarom hij daartoe in dit geval geen aanleiding zag. De rechtbank overweegt tot slot dat daarbij geldt dat als de Hoge Raad al vragen zou hebben gesteld, moet worden aangenomen dat het Hof van Justitie EU deze vragen niet zou hebben beantwoord.

Publicatie op rechtspraak.nl
25-03-2026

Rechtbank Limburg 16 februari 2026, ECLI:NL:RBNLIM:2026:2375
Pensioenkwestie in het kader van een ontslagprocedure.
Uitleg pensioenovereenkomst. De relevante bepaling, opgenomen in de arbeidsovereenkomst die is gesloten voor bepaalde tijd namelijk voor de duur van één jaar, luidt: “Werknemer neemt deel aan een pensioenverzekering via werkgever: De nadere invulling hiervan zal nog tussen partijen worden besproken.”
De kantonrechter oordeelt op basis van deze bepaling, dat de werkgever de werknemer  tijdens het eerste jaar van het dienstverband (augustus 2018-augustus 2019) ten onrechte niet heeft laten deelnemen in de pensioenregeling van de werkgever. De Kantonrechter overweegt dat het feit dat de bepaling vermeldt dat de ‘nadere invulling nog tussen partijen zal worden besproken’ – waaraan geen gevolg is gegeven – niet maakt dat er daarom geen aanspraken zijdens de werknemer tot stand zijn gekomen. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid brengt met zich mee dat de werknemer vanaf de aanvang van het dienstverband recht heeft op de reguliere pensioenbijdrage van de werkgever. De kantonrechter veroordeelt de werkgever om de door de werkgever over het eerste jaar verschuldigde pensioenpremie alsnog aan de pensioenuitvoerder te betalen.

Publicatie op rechtspraak.nl
16-03-2026

Rechtbank Noord-Holland 12 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2278
Ontslagprocedure waarin aan de werknemer een billijke vergoeding wordt toegekend vanwege ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Onderdeel van de billijke vergoeding is vergoeding voor pensioenschade. De kantonrechter houdt bij de vaststelling van de pensioenschade rekening met het betoog van de werknemer, dat ook rekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage voor het pensioen die op het bruto salaris van de werknemer werd ingehouden.

Publicatie op rechtspraak.nl
11-03-2026

Gerechtshof Den Haag 17 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:155
Geschil tussen een Luxemburgse werkgever en Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor vlees, vleeswaren, gemaksvoeding en pluimveevlees (hierna: VLEP).
De Hoge Raad heeft de zaak na prejudiciële beslissing naar het hof verwezen (ECLI:NL:HR:2023:969).
De werkgever is een in Luxemburg gevestigde onderneming die overeenkomsten van opdracht sluit met opdrachtgevers in diverse landen van de Europese Unie. Daarbij verbindt zij zich tot het uitvoeren van arbeid ten behoeve van de verwerking van vlees en vleesproducten. Ter uitvoering van deze overeenkomsten van opdracht stelt zij werknemers van verschillende nationaliteiten tewerk in de versvlees- en vleesbewerkende industrie. De werkgever heeft in de jaren 2012-2107 werknemers ter beschikking gesteld aan, en laten werken in, Nederlandse ondernemingen in de versvlees- vleesbewerkende industrie. Niet (meer) in geschil is dat de betreffende werknemers in die periode onder de werkingssfeer van de verplichtstelling voor VLEP vielen.
Bij het hof ligt, in het kader van art. 8 Verordening Rome I, de vraag voor of het beschermingsniveau waarin de Nederlandse regels van dwingend arbeidsrecht voorzien, hoger ligt dan de regels van het Luxemburgs arbeidsrecht, waarvoor de werkgever en de betrokken werknemers hebben gekozen.
Het hof oordeelt dat de verplichte deelneming aan de pensioenregeling van VLEP op grond van de Wet Bpf 2000 in verbinding met het verplichtstellingbesluit voor VLEP, geen regel van bijzonder dwingend recht is die moet worden toegepast ongeacht het in dit geval gekozen Luxemburgs recht (art. 9 Verordening Rome I).
Het hof komt tot de conclusie dat haar niet is gebleken dat het beschermingsniveau waarin de Nederlandse pensioenregels voor de werknemers voorzien, hoger ligt dan dat van het gekozen Luxemburgse recht.

Publicatie op rechtspraak.nl
10-03-2026

Rechtbank Amsterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:101
Geschil met Uwv.
Eiser, die in het verleden pensioen heeft opgebouwd, heeft ontdekt dat zijn pensioenopbouw eerder is gestopt dan hij dacht. Dat heeft te maken met zijn ziekmelding aan het begin van de jaren 90. Daarom heeft hij Uwv verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het Uwv heeft het verzoek afgewezen, omdat de gevraagde documenten niet meer beschikbaar zijn.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt, dat als een bestuursorgaan aangeeft dat een document niet (meer) bij hem berust na onderzoek en deze mededeling geloofwaardig lijkt, het aan degene is die informatie vraagt om te bewijzen dat het bestuursorgaan over het document beschikt. Het bestuursorgaan hoeft dan niet verder te bewijzen dat het document niet onder hem berust.
De rechtbank oordeelt dat de mededeling van het Uwv dat de betreffende persoonsgegevens van eiser niet aanwezig zijn, geloofwaardig en voldoende onderbouwd is. En dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbrekende document alsnog bij het Uwv moet zijn.

Publicatie op rechtspraak.nl
10-03-2026

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1263
Geschil tussen Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten en een gewezen deelnemer in dat pensioenfonds.
Het geschil gaat over de vraag of de gewezen deelnemer op grond van het relevante pensioenreglement recht heeft op premievrijstelling wegens beroepsarbeidsongeschiktheid.
De kantonrechter oordeelt dat de gewezen deelnemer vanaf 31 oktober 2019 blijvend en volledig beroepsarbeidsongeschikt is zoals bedoeld in het pensioenreglement. Omdat de gewezen deelnemer zich pas ruim een jaar daarna, op 3 februari 2021, heeft verzekerd voor premievrijstelling bij beroepsarbeidsongeschiktheid, heeft zij geen recht op premievrijstelling. Op grond van de wet moet een verzekeringsovereenkomst strekken tot het doen van een uitkering in geval van een onzeker voorval. Van die onzekerheid was op het  moment dat de gewezen deelnemer de verzekering afsloot, op 3 februari 2019, geen sprake; zij was immers al sinds 31 oktober 2019 blijvend en volledig beroepsarbeidsongeschikt. Het was daarom in dit geval niet mogelijk om de verzekering met terugwerkende kracht te laten ingaan. Dat het pensioenfonds aanvankelijk een eerdere ingangsdatum heeft gecommuniceerd was het gevolg van een administratieve fout bij het pensioenfonds waarover het pensioenfonds de gewezen deelnemer ook heeft geïnformeerd.   

Publicatie op rechtspraak.nl
05-03-2026

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:522
Geschil rond scheiding. De zaak is door de Hoge Raad bij beschikking van 2 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:165) naar het hof verwezen.
Bij hof ‘s-Hertogenbosch is de kernvraag of de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden en de met de wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst. Door de wijzigingen had de vrouw onder meer, anders dan voorheen, geen recht meer op pensioenverevening. Het hof komt tot het oordeel dat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden en de met de wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst nietig zijn. Het hof overweegt in dat kader onder meer:
“5.18. Het hof is van oordeel dat uit de hierboven weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de man er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw op basis van de toezending van de concept-akten wijziging huwelijksvoorwaarden en de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij in 2009 instemde, laat staan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeiden. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Uit de beschikking van de Hoge Raad volgt dat op notarissen een waarschuwingsplicht rust voor de gevolgen van de met tussenkomst van een notaris verrichte rechtshandeling, zoals het wijzigen van huwelijkse voorwaarden. De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn. Echter, ook op de man rustte gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen echtgenoten beheerst, in dit geval de plicht om de vrouw goed te informeren over – en te waarschuwen voor – de nadelige gevolgen voor de vrouw van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden. De man heeft dat nagelaten en kan zich daarbij niet verschuilen achter de voorlichting door de notarissen.”

En:

“ 5.19. Eenzelfde conclusie geldt voor de wijzigingsakte uit 2016. Nog los van het feit dat het voorgaande met zich brengt dat de huwelijkse voorwaarden/vaststellingsovereenkomst nietig zijn en dit tot gevolg heeft dat de wijziging/aanvulling in 2016 gebaseerd is op een nietige akte/overeenkomst, geldt ook voor de wijziging in 2016 dat de man er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw bij deze wijziging wist waarmee zij instemde. (…)”

Publicatie op rechtspraak.nl
04-03-2026

Rechtbank Den Haag 23 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3527
Scheiding. Afwijzing van het verzoek van de vrouw om het door partijen tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen te verevenen. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:155 BW na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid hebben uitgesloten op de wijze als in die wet voorzien. Omdat de pensioenverevening rechtstreeks uit de wet volgt, wijst de rechtbank het verzoek bij gebrek aan belang af.

Publicatie op rechtspraak.nl
02-03-2026

Gerechtshof Amsterdam 17 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:449
Scheiding van directeur-grootaandeelhouder (dga) die pensioen in eigen beheer heeft  opgebouwd. In het kader van de scheiding dienen de in eigen beheer opgebouwde pensioenen te worden verevend. Tussen partijen is niet in geschil dat in beginsel afstorting van de benodigde koopsom voor het ouderdomspensioen- en weduwepensioen van de vrouw dient plaats te vinden. Ook is de hoogte van die pensioenen niet in geschil.
De vrouw heeft indertijd een offerte in het geding gebracht waaruit blijkt dat in 2014 een koopsom van in totaal € 314.824 nodig was om de rechten van de vrouw te garanderen. Het hof overweegt dat de vraag opkomt of en, zo ja, in hoeverre de vrouw nog op deze offerte of een soortgelijke offerte zal kunnen terugvallen gelet op veranderingen in wetgeving en binnen de verzekeringsbranche. Omdat partijen in de procedure geen nadere standpunten hierover hebben ingenomen of nadere vorderingen hebben gedaan, terwijl dat wel op hun weg en binnen hun mogelijkheden lag, sluit het hof aan bij de in de procedure ingenomen stellingen.
Het hof beoordeelt de vraag of in het concrete geval, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, aanspraak kan worden gemaakt op afstorting. Naar het oordeel van het hof is dat het geval, met dien verstande dat de af te storten koopsom nooit meer dan € 314.824 (de koopsom genoemd in de offerte uit 2014) zal bedragen. 

Publicatie op rechtspraak.nl
24-02-2026

Rechtbank Noord-Nederland 24 januari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14307
Werkgever heeft in strijd met het goed werkgeverschap gehandeld door een werknemer niet de mogelijkheid te bieden (niet tijdig en deugdelijk te informeren) over de gewijzigde pensioenregeling van de werkgever. Geschil over de begroting van de pensioenschade van de werknemer. Berekening kansschade (kans op schade).

Publicatie op rechtspraak.nl
19-02-2026

Rechtbank Noord-Nederland 27 november 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5850
Verzoekschriftprocedure over onder meer de vaststelling van een dwangakkoord. Verzoekers hebben een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers. Deze regeling is door alle schuldeisers aanvaard, behalve door Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (Bpf Detailhandel) en de ANWB. Zij hebben niet gereageerd op het voorstel

De rechtbank concludeert: omdat het aanbod van verzoekers goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, en de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) de weigerende schuldeisers geen beter vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling, is het niet redelijk dat de ANWB en Bpf Detailhandel weigeren om akkoord te gaan. Zij hebben onvoldoende belang bij de weigering van de aangeboden schuldregeling, terwijl verzoekers en de andere schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding daarvan.

Publicatie op rechtspraak.nl
19-02-2026

Rechtbank Den Haag 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27334
Procedure rond de ontbinding van een in Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap, tussen een Belgische man en een Ierse vrouw. Pensioenverevening.

De rechtbank oordeelt over haar rechtsmacht en het toepasselijke recht:
– Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft zij ook rechtsmacht ten aanzien van nevenvoorzieningen op grond van artikel 4 lid 3 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
– Op grond van artikel 10:51 BW is het recht dat van toepassing is op het vermogensregime van partijen ook van toepassing op de vraag of de ene partner recht heeft op een gedeelte van het pensioen van de andere partner. De rechtbank stelt daarom vast dat het Nederlandse recht van toepassing is.

De rechtsbank overweegt over de inhoud:
Het feit dat geen verzoek in geformuleerd ten aanzien van de pensioenen, neemt niet weg dat partijen moeten overgaan tot pensioenverevening. Zoals bepaald in artikel 1:155 BW en in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS), valt al het pensioen dat partijen tijdens het geregistreerd partnerschap in Nederland hebben opgebouwd daaronder. Op grond van artikel 1 lid 8 van de Wet VPS, is deze wet ook van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling indien Nederlands recht het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst. De echtgenoot die recht op verevening heeft, verkrijgt met betrekking tot een pensioen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling geen recht op uitbetaling van een deel van dat pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan, maar slechts een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot. De vrouw verkrijgt door de ontbinding van het geregistreerd partnerschap dus jegens de man een recht op uitbetaling van een deel van het door de man opgebouwde pensioen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hiertoe de relevante gegevens over en weer zullen uitwisselen.

Publicatie op rechtspraak.nl
18-02-2026

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:771
Geschil over indexering van pensioenen tussen een werkgever en oud-werknemers van die werkgever. De oud-werknemers zijn inmiddels pensioengerechtigd. Handelde de werkgever in strijd met de pensioenovereenkomst door de indexeringsregeling met ingang van 1 januari 2022 te beëindigen?
De werkzaamheden van de werkgever vallen onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw). In de periode van 1 juli 1982 tot 1 januari 2007 gold bij de werkgever vrijstelling (dispensatie) van verplichte deelneming in de pensioenregeling van het pensioenfonds. In die periode namen de werknemers van de werkgever, waaronder de pensioengerechtigden die partij zijn in de procedure, deel in een pensioenregeling van de werkgever bij pensioenverzekeraar Nationale Nederlanden (NN). De indexeringsbepaling in die pensioenregeling bij NN luidt: “De pensioenen van de gepensioneerden, alsmede de pensioenen waarop de gewezen deelnemer bij beëindiging van het deelnemerschap recht heeft behouden, zullen worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 25 van het pensioenreglement van het Bpf”.
Met ingang van 1 januari 2007 is de vrijstelling beëindigd en nemen de werknemers deel in de pensioenregeling van Bpf Bouw. De bij NN opgebouwde pensioenen blijven achter bij NN. Vanaf 1 januari 2007 wordt de indexering van die pensioenen uitgevoerd door Bpf Bouw, op basis van een uitvoeringsovereenkomst met de naam CBSI-overeenkomst. De werkgever heeft de CBSI-overeenkomst met ingang van 1 januari 2022 opgezegd en heeft de pensioengerechtigden bericht dat geen verhoging van de pensioenuitkeringen meer zal plaatsvinden.
Het hof oordeelt:
– De indexeringsbepaling uit de pensioenregeling bij NN is een voorwaardelijke indexeringsbepaling;
– De pensioenregeling bij NN bevat ten aanzien van de periode na beëindiging van de vrijstelling, een wijzigingsbeding, dat in 2022 nog van kracht was;
– Voor de beoordeling van de vraag of de werkgever zich op het wijzigingsbeding kan beroepen, geldt het toetsingskader van artikel 19 PW/artikel 7:613 BW, ook ten aanzien van pensioengerechtigden;
– Nu niet is komen vast te staan dat de werkgever een zwaarwichtig belang had bij de beëindiging van de indexeringsregeling met ingang van 1 januari 2022, kan de werkgever zich niet op het wijzigingsbeding beroepen;
– De werkgever heeft in strijd met de pensioenovereenkomst gehandeld door de indexering met ingang van 1 januari 2022 te beëindigen.

Publicatie op rechtspraak.nl
16-02-2026

Rechtbank Den Haag 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27277
Kort geding. Geschil tussen Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) en een bij het fonds aangesloten werkgever. PMT is de enige partij die weigert medewerking te verlenen aan een onderhands crediteurenakkoord. In geschil is onder meer of PMT kan worden gedwongen mee te werken aan het crediteurenakkoord.
De voorzieningenrechter oordeelt dat PMT misbruik van bevoegdheid maakt (art. 3:13 BW) door niet in te stemmen met het crediteurenakkoord. Het belang van de werkgever bij de totstandkoming van het crediteurenakkoord weegt, mede gelet op de belangen van de overige schuldeisers, in de gegeven omstandigheden zwaarder dan de bevoegdheid van PMT om het aanbod van de werkgever te weigeren. De vordering strekkende tot veroordeling van het fonds om mee te werken aan het crediteurenakkoord wordt toegewezen, evenals de vordering om te bepalen dat het vonnis zo nodig in de plaats treedt van die medewerking.

Publicatie op rechtspraak.nl
12-02-2026

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 28 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2969
Verzetsprocedure tegen dwangbevel dat het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds Vervoer (Pensioenfonds Vervoer) heeft uitgevaardigd aan een werkgever (art. 21 lid 2 Wet Bpf 2000). Het arrest gaat met name met over de vraag welke werknemers in dienst waren van de werkgever.

Publicatie op rechtspraak.nl
11-02-2026

Rechtbank Midden-Nederland 14 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:371
Werkingssfeergeschil tussen het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) en een werkgever die het manegebedrijf uitoefent. Kern van het geschil is of de werkgever vanaf 1 januari 2021 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van PFZW valt omdat de werkgever vanaf die datum, naast paardrijlessen, ook zorgactiviteiten aanbiedt.
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever zorg verleent in de zin van artikel 1-A, ad a van de verplichtstelling van PFZW. Naar het oordeel van de kantonrechter valt de werkgever niet onder de uitzondering in de verplichtstelling voor de generalistische basis geestelijke gezondheidszorg (art. 1-A, ad a van de verplichtstelling). De kantonrechter oordeelt ook, dat het niet zo is dat de activiteiten van de werkgever meer passen bij de omschrijving van werkgever in het welzijnswerk en de maatschappelijke dienstverlening in de zin van artikel 1-A, ad g van de verplichtstelling, waarbij een hoofdzakelijkheidscriterium geldt waaraan de werkgever stelt niet te voldoen.

Publicatie op rechtspraak.nl
06-02-2026

Hoge Raad 6 februari 2026
ECLI:NL:HR:2026:203
Geschil rond echtscheiding. De Hoge Raad laat het oordeel van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:560) in stand (art. 81 RO).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat het door de vrouw afgekochte pensioen van € 21.462 verknocht is en daarmee buiten de gemeenschap van goederen is gebleven en dus privé vermogen van de vrouw is. Maar naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat dit bedrag naar de beleggingsrekening is overgemaakt. Daarom heeft de vrouw een vergoedingsrecht op de gemeenschap voor (slechts) het nominale bedrag nu niet kan worden vastgesteld wat er met dit bedrag is gebeurd. Dat de vrouw dit bedrag niet apart heeft geadministreerd komt voor haar risico. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand; de vrouw heeft geen recht op een volgens de beleggingsleer vastgesteld bedrag.

Publicatie op rechtspraak.nl
06-02-2026

Rechtbank Overijssel 13 januari 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:583
Geschil over vaststelling van onder meer de pensioenschade na een ongeval.

Publicatie op rechtspraak.nl
05-02-2026

Rehtbank Midden-Nederland 10 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7234.
Geschil rond pensioenovereenkomsten en een lijfrenteovereenkomst, gesloten tussen een bedrijf en een oud medeaandeelhouder/bestuurder van dat bedrijf.
De oud medeaandeelhouder/bestuurder heeft een pensioenvoorziening opgebouwd in het bedrijf. Er is een pensioenovereenkomst waarin recht op indexering en recht op afstorting bij een verzekeraar is overeengekomen. Hoewel niet kan worden vastgesteld hoe die overeenkomst tot stand is gekomen en wie (voor wie) heeft ondertekend, oordeelt de kantonrechter dat in de gegeven omstandigheden inderdaad recht bestaat op indexering en op afstorting van het pensioen. De vordering tot afstorting van geïndexeerd pensioen bij een pensioenverzekeraar wordt daarom toegewezen. 
Het geschil rond de lijfrenteovereenkomst gaat over de uitleg van het begrip ‘doelvermogen’ in die overeenkomst. De kantonrechter legt het begrip op basis van het Haviltex-criterium uit. Op grond van de lijfrenteovereenkomst bestaat ook recht op afstorting. 

Publicatie op rechtspraak.nl
03-02-2026

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 februari 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:617
Ontslagprocedure waarin aan de werknemer een billijke vergoeding wordt toegekend vanwege ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Onderdeel van de billijke vergoeding is vergoeding voor pensioenschade. De kantonrechter oordeelt dat het gevorderde bedrag aan pensioenschade niet geheel kan worden meegenomen, onder meer omdat de werknemer zonder toelichting is uitgegaan van een hogere levensverwachting dan de gemiddelde levensverwachting van een man in Nederland.

Publicatie op rechtspraak.nl
28-01-2026

Rechtbank Amsterdam 14 maart 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:8863
Werkingssfeergeschil tussen onder andere het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw) en een werkgever die zich onder meer bezighoudt met asbestsanering. Kern van het geschil is of de werkzaamheden van de werkgever in de periode 2007 tot 2016 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van Bpf Bouw vallen.
De werkgever stelt voorop dat de Bouwregelingen, waaronder de verplichtstelling van Bpf Bouw, niet algemeen verbindend verklaard hadden mogen worden (voor de verplichtstelling zal zijn bedoeld: niet verplicht had mogen worden gesteld – zie ook ECLI:NL:RBAMS:2024:8999), nu de werknemersverenigingen die partij zijn bij de Bouwregelingen, onvoldoende representatief zijn voor de werknemers in de bouw. De kantonrechter volgt de werkgever niet in dit verweer.
Daarnaast heeft de werkgever aangevoerd, dat zij in de betreffende periode niet onder de verplichtstelling viel, omdat zij onder de isolatie-uitzondering viel zoals die tot (in) 2016 in de verplichtstelling was opgenomen. De kantonrechter oordeelt dat nu de werkgever zich op de gevolgen van de uitzonderingsbepaling beroept, de werkgever zal moeten bewijzen dat haar activiteiten onder die uitzondering vallen, wat Bpf Bouw heeft betwist.
Partijen twisten daarbij ook over de uitleg van de isolatie-uitzondering. De kantonrechter overweegt daarover: eerder heeft zowel de kantonrechter als het gerechtshof Amsterdam zich gebogen over de uitleg van de isolatie-uitzondering. Het gerechtshof Amsterdam heeft (onder meer in ECLI:NL:GHAMS: 2019:2666) in 2019 geoordeeld dat uit de bewoordingen van de isolatie-uitzondering op zichzelf niet volgt dat hieronder uitsluitend ondernemingen vallen die asbest verwijderen en vervolgens zelf isolerende materialen aanbrengen. Uit de woorden ‘voorbehandeling’ en ‘ten behoeve van’ in de bewoordingen van de isolatie-uitzondering leidt het hof af, dat tussen het verwijderen van asbest en het aanbrengen van isolerende materialen een zekere connexiteit moet bestaan. De term ‘voorbehandeling’ duidt op een functionele band tussen de asbestverwijdering en een specifiek doel, te weten het vervolgens (kunnen) aanbrengen van isolatie (vgl rov. 3.14 van het arrest). Dat de asbestsanering en de isolerende werkzaamheden door hetzelfde bedrijf, in één hand, moeten zijn gedaan (tot 2016), is – anders dan Bpf Bouw lijkt te betogen – volgens de kantonrechter niet vereist. Indien de werkgever wordt ingeschakeld om het asbest te verwijderen, zodat – als doel – nieuwe of vervangende isolatie kan en zal worden aangebracht, is deze uitzondering van toepassing.
Kennelijk in het licht van het expliciete aanbod van de werkgever om te bewijzen dat zij onder de isolatie-uitzondering valt, oordeelt de kantonrechter dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Tijdens het werkingssfeeronderzoek zijdens Bpf Bouw is onvoldoende onderzocht of de werkzaamheden van de werkgever specifiek isolatie ten doel hadden, en of zij direct zijn opgevolgd door werkzaamheden met een isolerend doel en karakter, en wel voor dezelfde plek waar eerst het asbest zat (connexiteit). Bedoeld werkingssfeeronderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau APG, dat is gelieerd aan Technisch Bureau Bouwnijverheid (TBB), een bureau dat is belast met onder meer de uitvoering van de Bouwregelingen. De kantonrechter heeft met partijen besproken dat het nader onderzoek zou kunnen worden gedaan door TBB/APG, nu  die daartoe het beste in staat zijn.
De zaak wordt verwezen naar een latere roldatum, zodat TBB/APG kan rapporteren over het nader onderzoek. De fondsen, waaronder Bpf Bouw, wordt opgedragen ervoor te zorgen dat het rapport in de procedure wordt gebracht.
Zie voor het vervolg: rechtbank Amsterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8999 (hieronder).

Publicatie op rechtspraak.nl
28-01-2026

Rechtbank Amsterdam 16 januari 2024
ECLI:NL:RBAMS:2024:8999
Vervolg op rechtbank Amsterdam 14 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8863 (zie hierboven).
Werkingssfeergeschil tussen onder andere het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw) en een werkgever die zich onder meer bezighoudt met asbestsanering. Kern van het geschil is of de werkzaamheden van de werkgever in de periode 2007 tot 2016 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van Bpf Bouw vallen.
Bpf Bouw heeft een nader rapport van onderzoeksbureau APG in verband met de mogelijke toepasselijkheid van de isolatie-uitzondering, in de procedure gebracht. De kantonrechter oordeelt dat in dit rapport de connexiteit wederom niet is onderzocht en dat daarmee de connexiteit is gegeven. De kantonrechter overweegt dat het nader rapport van onderzoeksbureau APG niet objectief en neutraal is: “Opvallend aan het rapport is ook dat waar een objectief en neutraal onderzoek verwacht mag worden, APG stelt dat [eiseres] niet heeft kunnen bewijzen dat zij onder de isolatie-uitzondering van de Bouwregelingen viel. Daarmee miskent APG echter dat waar de Fondsen zich beroepen op een rechtsgevolg, de bewijslast en daarmee het bewijsrisico bij de Fondsen dient te liggen en niet bij [eiseres], hoewel die een verzwaarde stelplicht heeft. En aan de stelplicht heeft [eiseres] (ook) door volledige toegang tot haar administratie te geven voldoende voldaan.”
De kantonrechter oordeelt dat het voor rekening en risico van de Fondsen, waaronder Bpf Bouw, dient te komen dat zij geen gebruik hebben gemaakt van de door de kantonrechter geboden mogelijkheid om een verdergaand onderzoek te doen. In samenhang met de lastig leesbare werkingssfeer-definitie, zeker gelezen in combinatie met de isolatie-uitzondering, impliceert dit naar het oordeel van de kantonrechter, dat niet is komen vast te staan dat de werkzaamheden van de werkgever in de periode van 2007 tot (in) 2016 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van Bpf Bouw vielen.

Publicatie op rechtspraak.nl
27-01-2026

Rechtbank Den Haag 27 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:26807
Geschil over vaststelling letselschade na verkeersongeval. Voordeelstoerekening (art. 6:100 BW)? Moet rekening worden gehouden met het feit dat verzoeker voor het ongeval als zelfstandige werkte en geen pensioen verwierf, maar als gevolg van het ongeval in loondienst is gaan werken en wel pensioen opbouwt? De Rechtbank oordeelt op basis van Hoge Raad 1 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7808) van niet.

Publicatie op rechtspraak.nl
27-01-2026

Rechtbank Overijssel 20 januari 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:284
Geschil over informatieverstrekking, tussen Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) en een pensioengerechtigde van dat pensioenfonds.
De pensioengerechtigde beroept zich op het inzagerecht van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en verzoekt de rechtbank om PFZW te verplichten haar haar persoonsgegevens toe te sturen, om PFZW te verplichten de berekeningen te laten opsturen die, uitgaande van haar persoonsgegevens, zijn gedaan om haar pensioenrecht te kunnen vaststellen, en om PFZW te verplichten de juistheid van die gegevens te bevestigen.
De rechtbank verklaart het verzoek niet ontvankelijk, omdat verzoeker niet eerst PFZW heeft verzocht om persoonsgegevens of inzage daarin en PFZW daarover dus ook geen beslissing heeft genomen. Bij gebreke van die beslissing kan geen verzoek worden ingediend bij de rechtbank in het kader van een inzageverzoek (artikel 35 lid 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG).
De rechtbank overweegt ten overvloede dat indien verzoeker wel een inzageverzoek bij de rechtbank had kunnen indienen, de rechtbank dat verzoek zou hebben afgewezen. De gevraagde persoonsgegevens zijn al al zichtbaar in de digitale omgeving van het pensioenfonds en in het uniform pensioenoverzicht (UPO) dat jaarlijks wordt verstrekt. De gevraagde berekening zelf is geen persoonsgegeven en valt daarom niet onder het inzagerecht van de AVG.
Kort voor de mondelinge behandeling heeft de pensioengerechtigde de grondslag van haar vordering aangevuld met een beroep op de Pensioenwet. Zij wil op grond van de Pensioenwet inzage in de onderliggende berekeningen van haar pensioen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onvoldoende duidelijk of verzoeker door middel van die aanvulling, naast de vordering op grond van de AVG, ook een vordering op grond van de Pensioenwet heeft willen indienen en of zij de bedoeling heeft de procedure op die manier voort te zetten bij de kantonrechter. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de zaak ten onrechte met een verzoekschrift in plaats van met een dagvaarding is ingeleid en is er onvoldoende feitelijke grond om ambtshalve te verwijzen naar de dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter. Verzoekster wordt niet ontvankelijk verklaard in haar verzoeken.

Publicatie op rechtspraak.nl
27-01-2026

Rechtbank Overijssel 20 januari 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:283
Geschil over informatieverstrekking tussen Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT), Stichting PME Pensioenfonds (PME) en een pensioengerechtigde in die fondsen.
De pensioengerechtigde baseert zijn verzoek op het inzagerecht uit artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 35 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG). Hij wil zijn persoonsgegevens kunnen controleren. In het uniform pensioenoverzicht (UPO) is volgens verzoeker niet zichtbaar welke persoonsgegevens de fondsen voor de berekening van zijn pensioen gebruiken.
De rechtbank verklaart het verzoek niet ontvankelijk, omdat verzoeker de fondsen niet eerst heeft verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens en dus ook niet heeft gevraagd om een beslissing daarover. Bij gebreke daarvan kan geen verzoek worden ingediend bij de rechtbank in het kader van een inzageverzoek (artikel 35 lid 1 UAVG).
De rechtbank overweegt ten overvloede dat indien verzoeker wel een inzageverzoek bij de rechtbank had kunnen indienen, de rechtbank dat verzoek zou hebben afgewezen. De gevraagde persoonsgegevens zijn al zichtbaar in de digitale omgeving van de fondsen en in het uniform pensioenoverzicht (UPO) dat jaarlijks wordt verstrekt. De gegevens worden aan verzoeker verstrekt zodat hij die gegevens kan controleren. Mogelijk zijn de gegevens niet in te zien op een wijze zoals verzoeker wenst (hij vindt de informatie in de pensioenomgeving onduidelijk en moeilijk toetsbaar), maar dat neemt niet weg dat hij wel inzage in de gebruikte gegevens heeft. Het verzoek van verzoeker om inzage in zijn persoonsgegevens zou daarom eveneens op inhoudelijke gronden worden afgewezen, aldus de rechtbank.

Publicatie op rechtspraak.nl
26-01-2026

Gerechtshof Amsterdam 20 januari 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:166

Werkingssfeergeschil tussen onder andere het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw) en zes vennootschappen behorend tot het concern Klokgroep.
De procedure gaat in de kern over de vraag of de zes vennootschappen zijn te beschouwen als ‘ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op dienstverlening voor of aan derden op het gebied van het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten (…)’ zoals (onder meer) bedoeld onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a van de verplichtstelling van Bpf Bouw (versie: Stcrt. 2022, nr. 31036).

Het hof overweegt dat over de uitleg van bedoeld onderdeel van de werkingssfeerbepaling, de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1102, rov. 3.3.2) de conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2024:437, randnummers 3.26-3.38) heeft overgenomen. In die conclusie heeft de A-G onder andere geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of een onderneming kwalificeert als onderneming op het gebied van het bouw- en infrabedrijf in de zin van de verplichtstelling onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a, beslissend is welke werkzaamheden worden verricht door deze onderneming ten behoeve van derden, niet welke werkzaamheden worden verricht binnen haar klantenkring, dus door de desbetreffende derden. Bij ‘dienstverlening’ (aan derden) in de verplichtstelling onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a gaat het om door die onderneming ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’, en wel voor zover deze werkzaamheden niet draaien om het vervaardigen van goederen. Want dit laatste, dus dat vervaardigen van goederen ter zake, betreft naar de aard ‘productie’ (voor derden) in de verplichtstelling onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a.


Vervolgens beoordeelt het hof of de verschillende ondernemingen van de zes vennootschappen al dan niet onder de verplichtstelling vallen. Het hof stelt daarbij voorop dat op Bpf Bouw de stelplicht en (bij voldoende gemotiveerde weerspreking) de bewijslast rusten van de feiten waaruit volgt dat de werkzaamheden van de zes vennootschappen onder de werkingssfeerbepalingen van de verplichtstelling vallen. De omstandigheid dat de zes vennootschappen een verklaring voor recht vorderen dat dit niet het geval is – ook wel een negatieve verklaring voor recht genoemd – maakt dit niet anders. Het hof komt tot het oordeel dat (de ondernemingen van) alle zes de vennootschappen onder de verplichtstelling vallen:
Ten aanzien van de eerste vennootschap oordeelt het hof “(…) dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 1] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. [geïntimeerde 1] is gericht op het verrichten van ondersteunende activiteiten ten behoeve van de BV’s die onder de holding vallen. Het feit dat [geïntimeerde 1] niet zelf bouwt doet daar niet aan af. Bij projectontwikkeling wordt grond, geld en gebruikers bijeengebracht om een bouwwerk te realiseren. [geïntimeerde 1] valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.”

Ten aanzien van de tweede  vennootschap oordeelt het hof “(…) dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 2] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. Ook virtueel bouwen of ervoor zorgdragen dat bepaalde B.V.’s gebruikmaken van een bepaalde softwareapplicatie, zijn gericht op bouwen en vallen onder de werkingssfeer. Datzelfde geldt voor de coördinerende werkzaamheden van [geïntimeerde 2] valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.”

Ten aanzien van de derde en vierde vennootschap oordeelt het hof “(…) dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. Bij projectontwikkeling wordt grond, geld en gebruikers bijeen gebracht om een bouwwerk te realiseren. Gebiedsontwikkeling is een proces om een specifiek geografisch gebied te transformeren, waarbij onder andere projectontwikkelaars werkzaam zijn. De vennootschappen richten zich op het ontwikkelen, verkopen en realiseren van diverse (binnenstedelijke) projecten. Het geheel is gericht op bouwen, ongeacht of [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zich ‘slechts’ vanuit een coördinerende rol met bepaalde werkzaamheden bezighouden. [geïntimeerde 3] en Van de Klok Wonen B.V vallen derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.”
Ten aanzien van de vijfde vennootschap oordeelt het hof “(…) dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 5] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. [geïntimeerde 5] is gericht op het beheren respectievelijk coördineren van onderhouds- en servicewerkzaamheden aan gebouwen. Dat de betrokken werknemers geen werkzaamheden op de bouwplaatsen verrichten doet daar niet aan af. Van de Klok Service B.V valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.”
Ten aanzien van de zesde vennootschap oordeelt het hof “(…) dat het bij de werkzaamheden van [geïntimeerde 6] gaat om ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’. [geïntimeerde 6] is gericht op vastgoedregie in de bouw. Dat de vennootschap zelf geen bouwactiviteiten verricht, maar beperkt zich tot een coördinerende rol, doet daar niet aan af. [geïntimeerde 6] valt derhalve onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit.”

Tot slot komt de vraag aan de orde of de vorderingen van Bpf Bouw voor zover die betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 2018 zijn verjaard. Het fonds heeft zich op het standpunt gesteld dat haar vorderingen om pensioenpremies (dan wel schade ter grootte van een zelfde bedrag als deze pensioenpremies) op te eisen niet beperkt zijn tot de premies (of schade) die betrekking hebben op de periode vanaf 1 augustus 2018 (te weten de periode van vijf jaar, teruggerekend vanaf augustus 2023, toen aan de zes vennootschappen voor het eerst premienota’s zijn verstuurd), maar verder terug kunnen gaan. Het fonds erkent dat weliswaar op grond van artikel 3:308 BW sprake is van verjaring van de premievordering, maar stelt dat een vordering gebaseerd op onrechtmatige daad een eigen verjaringsregime kent, en wel in die zin dat daarbij de verjaringstermijn pas ingaat op het moment dat het fonds op de hoogte is van het onrechtmatig handelen. Dit betoog komt er volgens het hof op neer, dat door haar vordering tot vergoeding van de gemiste pensioenpremies (maar dan in de vorm van schade) te baseren op een onrechtmatige daad van de zes vennootschappen, ruimere verjaringsregels van toepassing zijn.
Het hof volgt het fonds niet in haar betoog en oordeelt dat de vorderingen van Bpf Bouw voor zover de betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 2018 zijn verjaard. Het hof wijst op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:423; Booking II), waaruit blijkt dat de bedoeling van de (relatief) korte verjaringstermijn van artikel 3:308 BW is, dat wordt voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld. Uit het belang van de schuldenaar om te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld, volgt de vijfjaarstermijn van artikel 3:308 BW niet te verruimen, wat volgens het hof strookt met het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA1414; Fernhout/Essent), waarvan de strekking is dat de schuldeiser een specifieke kortere verjaringstermijn niet kan ontgaan door zijn vordering te baseren op een andere grond, te weten onrechtmatige daad. Het hof overweegt ten slotte dat opmerking verdient dat de verjaringstermijn van art. 3:308 BW ingevolge art. 3:320 BW in verbinding met art. 3:321, aanhef en onder f, BW wordt verlengd indien – kort gezegd – de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het bedrijfstakpensioenfonds verborgen heeft gehouden. Ook kan onder omstandigheden een beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van art. 3:308 BW jegens het fonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:2 lid 2 BW). Het fonds heeft echter niet gesteld dat de zes vennootschappen opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het fonds verborgen hebben gehouden, dan wel dat het beroep op de verjaringstermijn van art. 3:308 BW jegens het fonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 lid 2 BW).

Publicatie op rechtspraak.nl
23-01-2026

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 december 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:9603
Geschil over informatieverstrekking tussen Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) en een deelnemer van dat pensioenfonds.
De deelnemer beroept zich op het inzagerecht van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en verzoekt de rechtbank om PFZW te verplichten haar alle berekeningen op te sturen die ten grondslag liggen aan haar huidige pensioen en die berekeningen te voorzien van een uitleg.
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de gevraagde berekeningen geen persoonsgegevens in de zin van de AVG zijn. Voor zover het verzoek zou zien op de onderliggende gegevens, heeft verzoeker naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij het verzoek, omdat verzoeker die gegevens kan inzien via het uniform pensioenoverzicht (UPO) en MijnPFZW.
De rechtbank overweegt tot slot, dat zij zich kan voorstellen dat de deelnemer het liefst (absolute) zekerheid heeft over wat de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel voor haar gaat betekenen. Die zekerheid kan verzoeker via dit verzoek echter niet krijgen, ook niet als het verzoek wel zou worden toegewezen. De rechtbank overweegt in dat verband dat de rechten op een bepaald pensioen niet kunnen worden ontleend aan de gevraagde berekeningen. Die rechten vloeien voort uit het geldende pensioenreglement, waarbij de rechtbank verwijst naar gerechtshof Den Haag 17 januari 2023, ECLLI:NL:GHDHA:2023:329

Publicatie op rechtspraak.nl
21-01-2026

Rechtbank Gelderland 14 januari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:321
Ontslagprocedure waarin aan de werknemer een transitievergoeding wordt toegekend. Omdat de pensioenbijdrage materieel tot het loon behoort, nu de bijdrage met het loon werd uitbetaald en niet in een pensioenfonds werd gestort, neemt de kantonrechter de pensioenbijdrage mee bij de berekening van de transitievergoeding.

Publicatie op rechtspraak.nl
20-01-2026

Rechtbank Amsterdam 11 december 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:9893
Kort geding rond overgang van onderneming.
De kantonrechter oordeelt dat voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van overgang van onderneming ten aanzien van de onderneming van een gefailleerde werkgever. Als datum van overgang neemt de kantonrechter 1 juli 2025.
De werknemer die in dienst was bij de gefailleerde werkgever, vordert onder meer van de verkrijger van de onderneming dat deze de pensioenverplichtingen vanaf 1 juli 2025 nakomt – in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de werknemer onder de verplichte pensioenregeling van Pensioenfonds PGB valt. De kantonrechter wijst de vordering toe. Dat het UWV de pensioenpremie tot en met 24 augustus 2025 heeft voldaan, doet daar niet aan af. Het pensioenfonds zal de door het UWV betaalde premie moeten terugbetalen nadat de premie door de verkrijger van de onderneming is voldaan.

Publicatie op rechtspraak.nl
16-01-2026

Rechtbank Noord-Holland 8 januari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:132
Geschil over informatieverstrekking tussen ABP en een gepensioneerde van dat pensioenfonds.
De gepensioneerde beroept zich op het inzagerecht van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en verzoekt de rechtbank om ABP te bevelen zijn persoonsgegevens te verstrekken en toe te sturen. Het gaat verzoeker daarbij om alle berekeningen die ten grondslag liggen aan de hoogte van de huidige pensioenuitkering van verzoeker. Ook wil verzoeker dat de berekeningen worden voorzien van een uitleg en dat de juistheid en volledigheid daarvan wordt bevestigd. Daarnaast wil verzoeker van ABP een berekening van zijn pensioen zoals dat er naar verwachting over 10 jaar uitziet, in het kader van het nieuwe pensioenstelsel.
De rechtbank verklaart het verzoek niet ontvankelijk omdat verzoeker niet eerst ABP heeft verzocht om persoonsgegevens of inzage daarin en ABP daarover dus ook geen beslissing heeft genomen. Bij gebreke van die beslissing kan geen verzoek worden ingediend bij de rechtbank in het kader van een inzageverzoek (artikel 35 lid 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG).
De rechtbank overweegt ten overvloede dat indien verzoeker wel een inzageverzoek bij de rechtbank had kunnen indienen, de rechtbank dat verzoek zou hebben afgewezen. De reden daarvoor is dat het verzoek niet ziet op persoonsgegevens in de zin van de AVG, maar op informatie over de berekeningen van het pensioen. De rechtbank overweegt ook dat verzoeker al over alle relevante persoonsgegevens beschikt. Ze zijn bij het vaststellen van het huidige pensioen aan verzoeker medegedeeld en blijken sindsdien uit het uniform pensioenoverzicht (UPO) dat verzoeker jaarlijks van ABP ontvangt.

Publicatie op rechtspraak.nl
13-01-2026

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 december 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:8926
Geschil over informatieverstrekking tussen Stichting Pensioenfonds Notariaat (Pensioenfonds Notariaat) en een pensioengerechtigde van dat fonds.
Omdat aan een uniform pensioenoverzicht (UPO) geen rechten kunnen worden ontleend en vanwege de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, wil de pensioengerechtigde dat de rechtbank het fonds verplicht bepaalde gegevens te verstrekken. Het gaat om de berekeningen, inclusief de gegevens die aan die berekeningen ten grondslag liggen (onder andere het pensioengevend salaris, deeltijdpercentages, dienstjaren en waardeoverdrachten), waaruit blijkt dat de pensioenbedragen op het uniform pensioenoverzicht (UPO) juist zijn. De pensioengerechtigde wil ook dat het pensioenfonds wordt verplicht de juistheid van de gegevens te bevestigen. Het verzoek is gebaseerd op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het gaat verzoeker om transparantie en zekerheid dat zijn pensioen correct is berekend.
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat berekeningen naar het oordeel van de rechtbank geen persoonsgegevens in de zin van de AVG zijn en omdat de onderliggende gegevens via het uniform pensioenoverzicht (UPO) zijn in te zien. Een toelichting op de gegevens en een bevestiging van de juistheid van de gegevens, zijn evenmin persoonsgegevens.
De rechtbank overweegt ten overvloede, dat zij zich kan voorstellen dat de pensioengerechtigde behoefte heeft aan zekerheid over zijn pensioen, ook met het oog op het nieuwe pensioenstelsel. Die zekerheid zou echter ook bij toewijzing van het verzoek volgens de rechtbank niet zijn verkregen, omdat rechten op pensioen niet worden ontleend aan berekeningen of stukken waarop berekeningen zijn gebaseerd, maar rechten op pensioen voortvloeien uit het pensioenreglement.

Publicatie op rechtspraak.nl
09-01-2026

Gerechtshof Amsterdam 16 december 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:3646
Werkingssfeergeschil tussen het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (Bpf MITT) en een onderneming die handelt in veiligheidsproducten voor het luchtvaarttransport, waaronder spanbanden en covers voor vrachtluchtvaart. Kern van het geschil is of de onderneming vanaf 2015 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van Bpf MITT valt en daarom verplicht is aangesloten bij Bpf MITT.
Het hof volgt de werkgever niet in de stelling dat de werkgever weliswaar onder de werkingssfeer kan vallen maar niet onder de verplichtstelling kan vallen, omdat de werkgever niet binnen dezelfde bedrijfstak werkzaam is. Voor die stelling biedt het wettelijk systeem naar het oordeel van het hof geen ruimte.
De werkgever voert aan dat bepaalde assemblagewerkzaamheden, die naar het oordeel van het hof zijn aan te merken als werkzaamheden die onder de verplichtstelling van Bpf MITT vallen, maar 3,3% van de omzet uitmaken. De werkgever stelt dat hij onder meer daarom niet onder de werkingssfeer van Bpf MITT valt. Het hof overweegt dat de verplichtstelling van Bpf MITT geen hoofdzakelijkheidscriterium of een ander drempelcriterium bevat. Het hof ziet aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in het cassatieberoep tegen het arrest van gerechtshof Den Bosch van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339), nu in die zaak dezelfde rechtsvraag voorligt. In beide zaken beslaan de MITT-activiteiten maar een gering percentage van de totale omzet van het bedrijf.
De werkgever bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van Bpf MITT niet is verjaard. Het gerechtshof haalt in dat kader het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 aan (ECLI:NL:HR:2025:423; Booking II). Gelet op dit recente Booking II-arrest ziet het hof aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen zich onder meer uit te laten over: de toepasselijke verjaringstermijn en het aanvangsmoment van deze verjaringstermijn ten aanzien van de betalingsvordering van Bpf MITT op beide grondslagen, te weten de vordering tot nakoming van de betalingsverplichting op grond van het uitvoeringsreglement van Bpf MITT en de vordering tot betaling van (vervangende) schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad.
Het hof houdt de behandeling van de zaak aan in afwachting van het arrest van de Hoge Raad op het cassatieberoep tegen het hiervoor al genoemde arrest van gerechtshof Den Bosch van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339).

Publicatie op rechtspraak.nl
08-01-2026

Rechtbank Midden Nederland 12 december 2o25
ECLI:NL:RBMNE:2025:7137
Ontslagprocedure waarin aan de werknemer, die de positie van statutair directeur heeft, een billijke vergoeding wordt toegekend vanwege ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Onderdeel van de billijke vergoeding is vergoeding van pensioenschade, waarbij de kantonrechter er rekening mee houdt dat het inherent is aan de positie van statutair directeur dat het risico plotseling te worden geconfronteerd met ontslag groter is dan voor een reguliere werknemer.

Publicatie op rechtspraak.nl
08-01-2026

Rechtbank Noord-Holland 10 december 2025,
ECLI:NL:RBNHO:2025:14915
Werkingssfeergeschil tussen onder andere het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw) en een werkgever die zich bezighoudt met asbestsanering. Kern van het geschil is of de werkgever vanaf 2007 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van Bpf Bouw valt. Daarbij is van belang dat in de periode tot medio 2016 de zogenaamde isolatie-uitzondering in de verplichtstelling was opgenomen.
De kantonrechter overweegt dat het aan Bpf Bouw is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de werkgever onder de werkingssfeer van het pensioenfonds valt, waarin volgens de kantonrechter besloten ligt dat Bpf Bouw ook dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat de isolatie-uitzondering niet van toepassing is. Op de werkgever rust een verzwaarde betwistplicht.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat de werkgever in de periode 2007 tot medio 2016 niet onder de werkingssfeer van Bpf Bouw viel, omdat de werkgever onder de isolatie-uitzondering viel die in die periode in de verplichtstelling was opgenomen, en dat de werkgever na medio 2016, toen de isolatie-uitzondering verviel, wel onder de werkingssfeer van het fonds viel. De kantonrechter volgt de enge uitleg die het fonds aan de isolatie-uitzondering geeft niet. Die uitleg is dat de uitzondering alleen van toepassing is als het asbestmateriaal dat wordt verwijderd ook een isolerende werking had en vervolgens nieuw isolerend materiaal wordt teruggeplaatst.

Publicatie op rechtspraak.nl
06-01-2026

Gerechtshof Amsterdam 16 december 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:3502
Werkingssfeergeschil tussen het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (Bpf MITT) en G-Star, met als tussenkomende partij Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (Bpf Detailhandel). Kern van het geschil is 1) of G-Star onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van Bpf MITT of van Bpf Detailhandel valt, 2) of sprake is van overlap dan wel samenloop van verplichtstellingen, en zo ja, 3) welke verplichtstelling buiten toepassing moet worden gelaten.
Tussenarrest, interessant voor de uitleg van de verplichtstelling van Bpf Detailhandel.
In een eerder tussenarrest heeft het hof overwogen dat G-Star onder de werkingssfeer van Bpf MITT valt. Om te kunnen beoordelen of G-Star ook onder de werkingssfeer van Bpf Detailhandel valt, heeft het hof overwogen behoefte te hebben aan nadere voorlichting door een deskundige over de bedrijfsactiviteiten van G-Star. Het hof heeft partijen in het eerdere tussenarrest in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige en over de voorlopig geformuleerde vragen aan de deskundige.
Het hof neemt de door Bpf MITT voorgestane aanpassingen van de aan de deskundige te stellen vragen niet over. Het overnemen van die aanpassingen zou volgens het hof inhouden dat zij zou terugkomen op een aantal in het eerdere tussenarrest opgenomen bindende eindbeslissingen. Daarvoor ziet het hof geen aanleiding. De achtergrond van de door Bpf MITT voorgestane aanpassingen is 1) dat het hof volgens Bpf MITT ten onrechte heeft vastgesteld dat G-Star groothandelsactiviteiten verricht en overigens dat het hof ten onrechte niet heeft aangehaald dat de verplichtstelling voor Bpf Detailhandel een ‘uitsluitend of in hoofdzaak criterium’ kent voor de groothandelsfunctie, 2) dat het hof volgens Bpf MITT een onjuiste uitleg aan de verplichtstelling voor Bpf Detailhandel geeft door te veronderstellen dat de detailhandelsactiviteiten en de groothandelsfunctie bij elkaar kunnen worden opgeteld om te bepalen of G-Star onder de werkingssfeer van Bpf Detailhandel valt, en 3) dat het hof volgens Bpf MITT ten onrechte heeft vastgesteld dat de verkoop door E-store (een andere rechtspersoon dan G-Star) is aan te merken als een door G-Star verrichte activiteit die valt onder de werkingssfeer van Bpf Detailhandel.
Het hof neemt de door Bpf Detailhandel en G-Star voorgestelde aanpassingen en aanvullingen op de aan de deskundige te stellen vragen, voor zover terecht bevonden, over. En het hof benoemt een deskundige.

Publicatie op rechtspraak.nl
05-01-2026

Rechtbank Noord-Holland 15 december 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:14472
Ontslagprocedure waarin aan de werknemer een billijke vergoeding wordt toegekend vanwege ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Onderdeel van de billijke vergoeding is vergoeding voor pensioenschade, die de werknemer onbetwist heeft gesteld.

Publicatie op rechtspraak.nl
21-03-2025

Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:2025:423 (Booking II)
Geschil tussen Booking.com BV en de Stichting Pensioenfonds PGB (hierna: PGB), rechtsopvolgster van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche (hierna: Bpf Reisbranche).
Vervolg op Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:527 (Booking), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat Booking.com een (online) reisagent is zoals bedoeld in het relevante verplichtstellingsbesluit. Gerechtshof Den Haag (28 mei 30 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:73) heeft vervolgens voor recht verklaard dat Booking.com verplicht is deel te nemen aan PGB en heeft voorts bepaald dat de verplichtstelling gold met ingang van 1 januari 1999 voor deelname aan Bpf Reisbranche en sinds 1 januari 2021 voor deelname aan PGB.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep (art. 81 RO). Niettemin ziet de Hoge Raad aanleiding onder meer het volgende te overwegen:

De verjaring van een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van premie wordt beheerst door artikel 3:308 BW (vgl. m.b.t. art. 2012 (oud) BW HR 10 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1054, rov. 3.4). Deze bepaling strekt er mede toe te voorkomen dat niet betaalde termijnen oplopen tot een zware schuld.
Indien de werkgever aan de voorwaarden voldoet voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds, ontstaat per periode waarover premie verschuldigd is, van rechtswege een vordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van deze premie (vgl. HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, rov. 3.3.2). Voor de opeisbaarheid van deze vordering tot betaling van premie over een bepaalde periode geldt, dat deze opeisbaar is op het tijdstip van betaling dat in het uitvoeringsreglement voor die vordering is bepaald, binnen de door artikel 26 Pensioenwet (Pw) gestelde grenzen. Indien dat tijdstip afhankelijk is gesteld van een handeling van de pensioenuitvoerder, zoals het verzenden van een premienota, en die handeling achterwege is gebleven, wordt de vordering voor de toepassing van art. 3:308 BW geacht opeisbaar te zijn geworden op het uiterste tijdstip van de betaling van de premie, bedoeld in artikel 26 Pw.
De verjaringstermijn van art. 3:308 BW vangt aan op de dag, volgend op die waarop de vordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode opeisbaar is geworden of geacht wordt opeisbaar te zijn geworden overeenkomstig het voorgaande.
De Hoge Raad voegt toe, dat opmerking verdient dat de verjaringstermijn van art. 3:308 BW ingevolge art. 3:320 BW in verbinding met art. 3:321, aanhef en onder f, BW wordt verlengd indien kort gezegd de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het bedrijfstakpensioenfonds verborgen heeft gehouden. Ook kan onder omstandigheden een beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van art. 3:308 BW jegens het bedrijfstakpensioenfonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:2 lid 2 BW).