Wijzigen van een pensioenovereenkomst
April 2025
Over de vier mogelijkheden om een pensioenovereenkomst te wijzigen
De Pensioenwet definieert de pensioenovereenkomst als “hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen”. De pensioenovereenkomst is een onderdeel van de arbeidsovereenkomst. De mogelijkheden om een pensioenovereenkomst te wijzigen, lijken dan ook sterk op de mogelijkheden om een arbeidsovereenkomst te wijzigen.
Overigens is het alleen mogelijk een pensioenovereenkomst te wijzigen voor toekomstige pensioenopbouw. Het achteraf wijzigen van al opgebouwde pensioenen is niet mogelijk, behoudens enkele uitzonderingssituaties (art. 20 Pensioenwet). Dat zou ook in strijd zijn met het afkoopverbod (art. 65 Pensioenwet).
Een pensioenovereenkomst kan op de volgende vier manieren worden gewijzigd.
Mogelijkheid 1: werkgever en werknemer komen wijziging overeen
Een pensioenovereenkomst kan allereerst natuurlijk wijzigen als de werkgever en de werknemer de wijziging overeenkomen. De werkgever doet een aanbod tot wijziging en de werknemer stemt in met dat aanbod (art. 6:217 lid 1 BW).
Een variant hierop is de stilzwijgende instemming, ook wel de negatieve optie genoemd. Als een werkgever gebruik maakt van de negatieve optie, informeert hij de werknemer over de wijziging en deelt daarbij mede, dat de werknemer wordt geacht met de wijziging te hebben ingestemd als de werknemer niet (al dan niet binnen een bepaalde termijn) heeft laten weten dat hij niet akkoord gaat. Voor stilzwijgende instemming is vereist, dat de werknemer “welbewust” heeft ingestemd (Hoge Raad 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3570, CZ). Een werknemer kan alleen welbewust met een wijziging instemmen, als hij voldoende is geïnformeerd over de wijziging.
Mogelijkheid 2: werkgever doet beroep op eenzijdig wijzigingsbeding
De werkgever kan een pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer wijzigen, door met succes een beroep te doen op een zogenaamd eenzijdig wijzigingsbeding. Een eenzijdig wijzigingsbeding houdt in, dat de werkgever zich het recht heeft voorbehouden de pensioenovereenkomst te wijzigen. Het beding moet schriftelijk in de pensioenovereenkomst of in de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen (art.19 Pensioenwet en art. 7:613 BW).
Een voorwaarde voor een geslaagd beroep op een eenzijdig wijzigingsbeding, is dat de werkgever een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij de wijziging, dat het belang van de werknemer dat door de wijziging wordt geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
In het Fair Play- arrest (Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1869) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het daarbij gaat om een belangenafweging: wanneer een werkgever zich op een eenzijdig wijzigingsbeding beroept, moet de rechter met inachtneming van alle omstandigheden van het geval beoordelen “of het belang van de werkgever bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde, ten opzichte van het belang van de werknemer bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemer op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever. Het gaat bij de toepassing van art. 7:613 BW dus om een belangenafweging, waarbij geldt dat een arbeidsovereenkomst alleen ten nadele van de werknemer kan worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen. Bij deze belangenafweging wordt het in het gegeven geval voor het doorvoeren van de wijziging vereiste gewicht van de belangen van de werkgever mede bepaald door het gewicht van de belangen van de werknemer die daartegenover staan.”
Indien de ondernemingsraad heeft ingestemd met een voorgenomen besluit van de werkgever tot wijziging van de pensioenovereenkomst, kan dat een aanwijzing zijn dat de werkgever een zwaarwichtig belang heeft. Indien de ondernemingsraad instemming heeft onthouden, kan dat een aanwijzing zijn dat de werkgever geen zwaarwichtig belang heeft. Maar doorslaggevend is het niet.
Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of de werkgever al dan niet het vereiste zwaarwichtige belang heeft.
Mogelijkheid 3: werkgever doet beroep op het goed werknemerschap
Een wijziging van de pensioenovereenkomst kan ook voortvloeien uit het goed werknemerschap (art. 7:611 BW). Dat is het geval indien het antwoord op de volgende vragen ‘ja’ luidt:
- Heeft de werkgever als goed werkgever aanleiding kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de pensioenovereenkomst?
- Is het door de werkgever gedane voorstel redelijk?
- Kan aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer worden gevergd?
Als de antwoorden op deze vragen positief zijn, vloeit de wijziging uit het goed werknemerschap voort. Dit volgt onder meer uit Hoge raad 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1759 (International Flavors), waarin de Hoge Raad verwijst naar de beoordelingsmaatstaf uit het Stoof/Mammoet-arrest (Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, rov 3.3.2-3.3.3).
Ook hier geldt dat het uiteindelijk aan de rechter is om te toetsen of de vragen inderdaad met ‘ja’ moeten worden beantwoord.
Mogelijkheid 4: werkgever doet beroep op de corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid
Een laatste mogelijkheid voor een werkgever om een pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer te wijzigen, is door een beroep op de aanvullende of op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid te doen (art. 6:248 BW). De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid houdt in, dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook de rechtsgevolgen die, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (art. 6:248 lid 1 BW). De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid houdt in dat een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel, niet van toepassing is, voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW). De lat voor een geslaagd beroep ligt hoog.
Een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is de bepaling over onvoorziene omstandigheden in artikel 6:258 BW. Bij onvoorziene omstandigheden die maken dat ongewijzigde instandhouding van de pensioenovereenkomst onaanvaardbaar is, kan de rechter op vordering van de werkgever de gevolgen van de pensioenovereenkomst wijzigen, ook met terugwerkende kracht. De wijziging komt tot stand door het vonnis – en loopt dus altijd via de rechter.
Tot slot
Dit blog gaat alleen over de wijziging van een pensioenovereenkomst, niet over wijziging van een uitvoeringsovereenkomst die ter verzekering van die pensioenovereenkomst moet zijn gesloten. De pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst moeten bij wijziging van de pensioenovereenkomst uiteraard op elkaar blijven aansluiten.
Dit blog gaat ook niet over de situatie waarin in de pensioenovereenkomst een dynamisch corporatiebeding is opgenomen, waardoor wijzigingen die een pensioenfonds in haar pensioenreglement doorvoert, automatisch doorwerken in de pensioenovereenkomst.